Herken de persoonsvorm (1)

Zoek de persoonvormen en typ ze na.
Kijk na en verbeter.

Hoe vind je een persoonsvorm?
1) Verander de tijd van de zin. > Het werkwoord dat verandert is een persoonsvorm.
2) Maak een vraagzin (gebruik alle woorden). > Het werkwoord dat vooraan komt te staan is de persoonsvorm.
3) Verander het aantal van het onderwerp > Het werkwoord dat verandert is de persoonsvorm

Probeer alle manieren eens.

1) Er was eens een spookje die Griebel heette.
2) Griebel was 106 jaar oud, wat voor een spook niet zo oud was.
3) Het was een lief maar ondeugend spookje.
4) Hij hield er erg van om kindertjes te plagen.
5) Dat deed hij vooral als ze sliepen.
6) Bij Puck trok hij ’s nachts de speen uit haar mondje.
7) Waarna ze dan natuurlijk hard begon te huilen.
8) Moeder vloog dan verschrikt haar bed uit om bij Puck te gaan kijken.
9) Griebel moest daar erg om lachen.
10) Wat Griebel ook een goeie grap vond, was om bekers met drinken om te gooien.
11) Dan kreeg Noor een standje van haar ouders:
12) “Wees toch voorzichtig, kijk eens wat je nu hebt gedaan."
13) Niemand kon Griebel zien dus hij kon ongestraft allerlei kattenkwaad uithalen.
14) Soms moest Noortje haar kamer opruimen.
15) Nadat ze daarmee klaar was, holde ze trots naar beneden.
16) “Mama, papa, kom eens gauw kijken hoe netjes ik mijn kamer heb opgeruimd!”
17) Ze liepen naar boven om haar kamer te bewonderen.
18) Maar Griebel had alles gauw door elkaar gegooid!
19) Kreeg Noortje nog op haar kop ook!
20) Griebel moest daar weer hartelijk om lachen.