Herken de persoonsvorm (2)

Zoek de persoonvormen en typ ze na.
Kijk na en verbeter.

Hoe vind je een persoonsvorm?
1) Verander de tijd van de zin. > Het werkwoord dat verandert is een persoonsvorm.
2) Maak een vraagzin (gebruik alle woorden). > Het werkwoord dat vooraan komt te staan is de persoonsvorm.
3) Verander het aantal van het onderwerp > Het werkwoord dat verandert is de persoonsvorm

Probeer alle manieren eens.

1) De ouders geloofden Noortje niet toen ze dat zei.
2) Maar ze had écht, maar dan ook écht, haar kamer opgeruimd.
3) Boos ging ze dan maar opnieuw opruimen.
4) Op een dag zat Noortje op de schommel in de tuin.
5) Griebel duwde haar heel hard, ze ging hoger en hoger.
6) Eerst vond Noortje het wel leuk, maar toen werd ze bang.
7) Ze gilde: “Stop, stop!”
8) Maar Griebel stopte niet.
9) En toen gebeurde het:
10) Noortje vloog door de lucht en viel op de grond.
11) Ze begon hard te huilen en haar vader kwam aangerend:
12) “Wat doe je, je moet je handjes toch goed vasthouden en niet te hoog schommelen!”
13) Noortje zei: “Dat deed ik ook, maar ik werd eraf geduwd.”
14) Papa geloofde haar niet want hij zag niemand.
15) Hij zei: “Ja, ja, het spookt hier zeker”.
16) En toen werden ze allebei stil.
17) Ze dachten aan alle rare dingen die de laatste tijd gebeurd waren.
18) Ze dachten inderdaad dat het wel eens een vervelend spookje kon zijn.
19) Hoe konden ze dit oplossen, hoe konden ze het spookje op laten houden?
20) Papa keek in het telefoonboek.