Herken de persoonsvorm (3)

Zoek de persoonvormen en typ ze na.
Kijk na en verbeter.

Hoe vind je een persoonsvorm?
1) Verander de tijd van de zin. > Het werkwoord dat verandert is een persoonsvorm.
2) Maak een vraagzin (gebruik alle woorden). > Het werkwoord dat vooraan komt te staan is de persoonsvorm.
3) Verander het aantal van het onderwerp > Het werkwoord dat verandert is de persoonsvorm

Probeer alle manieren eens.

1) Waarom? Waarom zit ik hier opgesloten?
2) Die vraag tolt al twee jaar door Ambers hoofd.
3) Wie heeft er nou een lelijke oude heks als oma?
4) Eén die haar kleindochter op de zolder van haar afgelegen huis opsluit?
5) Amber knijpt haar laatste tube verf leeg op haar palet: groen.
6) De vieste groen die ze ooit gezien heeft.
7) Maar het is haar laatste kleur.
8) Met wat opgedroogde witte verf en water maakt Amber haar schilderijtje af; een landschap.
9) Met bergen, die staan voor de driftbuien die ze vroeger wel had.
10) En gelijkmatig gras voor de rust die ze, volgens haar moeder, over zich heeft.
11) En nu verft ze ook met groen, een dikke, oude boom, voor haar eigen karakter.
12) "Wat zou moeder dit prachtig gevonden hebben," verzucht Amber.
13) Ze schrikt van haar eigen stem.
14) Die heeft ze lang niet gehoord.
15) In zichzelf gekeerd haalt ze haar doek van de ezel.
16) Ze hangt het aan een kromme spijker in de muur.
17) Dan doet ze een paar stappen achteruit en keurt 'zichzelf'.
18) De bergen hadden wel iets piekiger gemogen en de boom minder dik.
19) Maar dat laat ze nu maar zo.
20) Amber laat zich lusteloos in een leunstoel vallen.