Wat is het hele werkwoord? (2)

Typ van de dikgedrukte werkwoorden uit de zin het hele werkwoord in het hok.
Kijk na en verbeter.

Hoe vind je het hele werkwoord?

Zet het werkwoord in de zin: IK KAN ... > Dan hoor je wat het hele werkwoord is.

Het hele werkwoord noemen ze ook wel:de woordenboekvorm

1) De appels kostten meer dan de peren.
2) De spruitjes bleven over, want niemand lustte ze.
3) De brandweer was het vuur al meester, maar bluste nog wat na.
4) Het broertje plaagde zijn zusje net zo lang tot ze begon te huilen.
5) De schoonmakers stoften de juwelen van de koningin af.
6) De Hollanders prakten hun eten door elkaar.
7) De ober snoepte stiekem van de bruidstaart.
8) Toen ze door de heg wegrenden, scheurden ze hun kleren.
9) Het meisje knuffelde haar lievelingsbeer.
10) De vruchten weekten een hele nacht in het sap.
11) De clown had succes, het patiëntje lachte om zijn grappen.
12) De matrozen waren verkouden en kuchten de hele dag.
13) Ze smeerden hun vieze handen aan hun broek af.
14) De droogmolen met was draaide in de wind.
15) De druppels lekten door de gaten en vielen op mijn hoofd.
16) Toen de kabouters wakker werden rekten ze zich uit.
17) De boswachter zaagde de zieke boom om.
18) De parachutisten landden midden in de nacht in de wei.
19) Ze rondden hun taak zonder protesteren af.
20) De sneeuwvlokken daalden neer.