Persoonsvormen in de tegenwoordige tijd (alles door elkaar) (1)

Alles door elkaar met de werkoorden werken, lopen, vinden en worden
Over 'ik', 'een ander' en 'jij/je erachter'
Typ de juiste schrijfwijze.

Persoonsvormen in de tegenwoordige tijd over 'ik' schrijf je zo simpel als je het hoort
Om de laatste letter te weten maak je het langer

Persoonsvormen in de tegenwoordige tijd over een ander schrijf je met een -t
(-den werkwoorden hebben dan toevallig -dt)

Uitzondering:
Als 'jij' achter de persoonsvorm staat schrijf je het zo simpel als je het hoort (en maak je het langer)
(Soms ook als 'je' achter de persoonvorm staat, maar alleen als 'je' dan in 'jij' veranderd kan worden)

Met het werkwoord 'werken'
1) Ik me te pletter
2) jij net zo hard als ik?
3) De jongen op de markt.
4) Waarom je moeder niet?
5) Er iets niet.

Met het werkwoord 'lopen'
6) Ik bij de avondvierdaagse de 10 km.
7) je even met me mee?
8) De drumband mee in de optocht.
9) Waarom je vader op krukken?
10) Er een kat over het plein.

Met het werkwoord 'worden'
11) Jij net zo lang als je vader.
12) ik later beroemd?
13) Zo je ook nooit gekozen.
14) De arrestant door de politie opgesloten.
15) Dan je mobieltje afgepakt.

Met het werkwoord 'vinden'
16) je dat normaal?
17) Hij op zolder een schat.
18) Ik dat oneerlijk.
19) Wat je juf van het werkstuk?
20) Er een optreden plaats.