Persoonsvormen in de tegenwoordige tijd (je/jij erachter) (1)

Zinnen met je/jij achter de persoonsvorm.
Kies de juiste schrijfwijze.
Zoek uit of je de gewone regel of de uitzondering gebruikt.

Gewone regel:
Persoonsvormen in de tegenwoordige tijd over een ander schrijf je met een -t
(-den werkwoorden hebben dan toevallig -dt)

Uitzondering:
Als 'jij' achter de persoonsvorm staat schrijf je het zo simpel als je het hoort (en maak je het langer)
(Soms ook als 'je' achter de persoonsvorm staat, maar alleen als 'je' dan in 'jij' veranderd kan worden)

Voorbeeld:
Wordt je zus ziek? > Wordt jij zus ziek? (je kunt 'je' niet in 'jij' veranderen, dus de gewone regel geldt)
Word je ziek? >Word jij ziek (je kunt 'je' wel in 'jij' veranderen, dus de uitzondering geldt)

1) Zi je te slapen?
2) Loop je oma ook naar de winkel?
3) Bi je voor het eten??
4) Werk je vader ook 's nachts?
5) Wor jij ook misselijk van spruitjes?
6) Wor je daar niet naar van?
7) Wor je zus er ook niet goed van?
8) Vin je broer dat wel leuk?
9) Vin je hem ook zo leuk?
10) Bie jij evenveel als de ander?
11) Hou je meer van vis?
12) Mel jij je even af bij de trainer?
13) Vermel je meester ook het de cijfers op het rapport?
14) Aanvaar je die opdracht niet?
15) Waarom rij je zo hard?
16) Bin jij de hond even vast?
17) Raa je het goede getal?
18) Re je oom de kat uit de boom?
19) Waarom verbin je mijn voet?
20) Wat bie je vriendje voor de fiets?