Persoonsvormen in de tegenwoordige tijd (over een ander) (1)

Kies de juiste schrijfwijze.
Kijk na en verbeter.

Persoonsvormen over 'een ander' in de tegenwoordige tijd schrijf je met een -t
(-den werkwoorden krijgen dan toevallig -dt)

Kijk dus goed of je met een -den werkwoord te maken hebt!

1) De boot glij in het water.
2) Waarom tree de minister af?
3) Hij beweer onzin.
4) Het vuur bran nog steeds.
5) Je bin hem te strak.
6) Deze weg lei naar Rome.
7) Vermoe hij onraad?
8) Morgen versprei ze weer onzin.
9) De jongen lij nog steeds pijn.
10) Het regen niet meer.
11) Piet bezeer zijn been.
12) Wat verbeel hij zich.
13) Iedereen vin hem aardig.
14) Als je te hard rij, val je.
15) Er wor jou iets gevraagd.
16) Deze bon vermel te weinig.
17) Wor je moeder ziek?
18) Pinar financier het hele feest.
19) Er heers veel armoede.
20) Ze schu niet met de fles.