Persoonsvormen in de tegenwoordige tijd (over een ander) (3)

Kies de juiste schrijfwijze.
Kijk na en verbeter.

Persoonsvormen over 'een ander' in de tegenwoordige tijd schrijf je met een -t
(-den werkwoorden krijgen dan toevallig -dt)

Kijk dus goed of je met een -den werkwoord te maken hebt!

1) Annieck hou nog steeds van Stef.
2) Meester Kees wor niet snel boos.
3) Vera klappertan van de kou.
4) Charley werk aan een geheime uitvinding.
5) Die plant verdor snel in de zon.
6) Berei hij zijn lessen wel voor?
7) Dat dui op grote problemen.
8) De brand brei zich nog steeds uit.
9) Oma brei een warme trui.
10) De eskimo hou het lang vol in deze kou.
11) Dit werk vermoei je zeker?
12) Verantwoor jullie leraar de cijfers?
13) Baa hij iedere ochtend in de zee?
14) Sanne baal van het vegen.
15) Anders vermoor hij haar.
16) De trein verminder vaart.
17) Hij spoe zich naar het ziekenhuis.
18) De agent schrijf een bekeuring.
19) De tuinman bin de rozen tegen de schutting.
20) De leerling klaag steen en been over het huiswerk.