Persoonsvormen in de verleden tijd (alles door elkaar) (2)

Kies de juiste schrijfwijze.
Zoek uit of het van klank verandert of niet

Persoonsvormen in de verleden tijd schrijf je zo simpel als je hoort.
Om de laatste letter te weten maak je het langer.

Maar niet bij -ten en -den woorden die niet van klank veranderen!
Deze krijgen dan -tt- of -dd-

1) Met een grappige speech overhandig hij het cadeau.
2) De rust keer weer.
3) De generaal poog de stad bij verassing in te nemen.
4) De asperges smaak mij lekker, maar mijn broer lus ze niet.
5) De orkaan rich aanzienlijke schade aan.
6) Na afloop van het examen wach de kandidaten vol spanning op de uitslag.
7) De oude zwerver verwaarloos zijn kleren.
8) De kapper was en watergolf het haar van de actrice.
9) Het KNMI verwach regen maar het mooie weer hiel aan.
10) De president vermoe niet, dat de generaals in het geheim een complot smee.
11) De smid smee een fraai gekruld tuinhek.
12) De typiste trach een betere baan te krijgen.
13) De leden van de expeditie versmach van de dorst.
14) Er wach een feestmaal voor de genodigden.
15) Als eerste betra de burgemeester de nieuwe brug.
16) Oom Jan stofzuig het tapijt, terwijl tante de meubels afstof.
17) De acrobaat verrich halsbrekende toeren.
18) De mannen schol en schreeuw naar elkaar.
19) De rovers vluch via de nooduitgang.
20) Vanmorgen star de motor weer niet.