Persoonsvormen in de verleden tijd (alles door elkaar) (3)

Kies de juiste schrijfwijze.
Zoek uit of het van klank verandert of niet

Persoonsvormen in de verleden tijd schrijf je zo simpel als je hoort.
Om de laatste letter te weten maak je het langer.

Maar niet bij -ten en -den woorden die niet van klank veranderen!
Deze krijgen dan -tt- of -dd-

1) Wat er daarna gebeur, vertel het bericht niet.
2) De wedstrijd eindig in gelijkspel, wat niemand verwach.
3) De astronauten lan precies op de juiste plek op de maan.
4) De injectie verdoof de patiënt en verlich de pijn.
5) De waterval stor wel 100 meter naar beneden.
6) Hoe lui het antwoord op die vraag?
7) Hoe hee de grootmoeder van onze koningin?
8) Mijn oom schaf zich een nieuwe auto aan.
9) Het vuur bran heerlijk en versprei een weldadige warmte.
10) De crimineel berus niet in het vonnis en teken hoger beroep aan.
11) 's Zomers verhuis zij naar het buitenverblijf.
12) Voor de brug wach veel vakantiegangers.
13) De boer verpach zijn boerderij.
14) De fotograaf vergroo de foto's.
15) Door de klap verbrijzel de voorruit.
16) Zelfs zijn oude vrienden haa de verrader.
17) Het publiek bars herhaaldelijk in lachen uit.
18) Ik struikel over een kleedje en stoo een vaas om.
19) De hoge golven stor over het schip.
20) Het kos ons uren voor we ons doel bereik.