Persoonsvormen in de verleden tijd (alles door elkaar) (4)

Kies de juiste schrijfwijze.
Zoek uit of het van klank verandert of niet

Geen uitleg. Lukt je dat?

1) De elektricien installeer de koelkast.
2) Jaren later ontmoe de beide vrienden elkaar in Amsterdam.
3) Sneeuw en ijzel bezorg de weggebruikers veel overlast.
4) De dichte mist belemmer het zicht.
5) De jager rich zijn geweer en vuurde.
6) Het tweetal pleeg verschillende inbraken.
7) Carla verrich haar taak met grote toewijding.
8) Het kind wen al gauw op de nieuwe school.
9) Joke raa mij aan nog eens goed naar het boek te zoeken.
10) Zijn baas dul niet langer dat hij zijn plicht zo verwaarloos
11) Vannacht woe er een hevige storm boven de Noordzee.
12) Een glazen deur schei de gang van de woonkamer.
13) Het gesprek ontaar in een hevige ruzie.
14) Al haar vrienden benij haar.
15) De stropers laa het gedode wild op de kar.
16) Direct na het opstijgen stor het vliegtuig neer.
17) Marjan draai haar vader een rad voor ogen.
18) De dokter tra de zaal binnen.
19) Ik lach omdat ik zo'n opmerking niet verwach.
20) De dronken chauffeur negeer alle verkeersborden en slinger over de weg.