Persoonsvormen in de verleden tijd (gewone werkwoorden) (1)

Dus niet -ten en -den werkwoorden!
Kies de juiste schrijfwijze.

Persoonsvormen in de verleden tijd schrijf je zo simpel als je hoort.
Om de laatste letter te weten maak je het langer.

Let goed op het onderwerp. Als het er méér zijn dan komt er altijd een -n achter:
De jongen hoorde een knal.
De jongens hoorden een knal.

1) Ik ha hem bekeken.
2) Hij ston voor het raam.
3) Ik von hem wel aardig.
4) Hij maak me bang.
5) Hij hoor een knal.
6) De mannen lach zich rot.
7) De nonnen keer zich weer om.
8) De bakker fiets door de regen.
9) De vissers vis in de sloot.
10) Ik bezoch gisteren de bioscoop.
11) Het beston al veel langer.
12) Waarom vermee je haar?
13) Meneer Van Dam zon een telegram.
14) Hij splee de boom in stukken.
15) Wer groep 7 eerste bij voetbal?
16) Die weddenschap gol tot afgelopen vrijdag.
17) Slo wij een contract?
18) Ik won me erg op over zijn taalgebruik.
19) Hij bevon zich in vreemd gezelschap.
20) En ze leef nog lang en gelukkig.