Persoonsvormen in de verleden tijd (gewone werkwoorden) (2)

Dus niet -ten en -den werkwoorden!
Kies de juiste schrijfwijze.

Persoonsvormen in de verleden tijd schrijf je zo simpel als je hoort.
Om de laatste letter te weten maak je het langer.

Let goed op het onderwerp. Als het er méér zijn dan komt er altijd een -n achter:
De jongen hoorde een knal.
De jongens hoorden een knal.

1) Hij boor een gat in de muur.
2) De rugbyspelers beuk tegen elkaar aan.
3) De kinderen lach om het hardst.
4) De ballerina strek zich uit.
5) Alle leden van de volksdansgroep haak bij elkaar in.
6) De gewonden le veel pijn.
7) De directeur zon de leerlingen naar huis.
8) Hoe lang leer de studenten voor het examen?
9) De buren bonk op de muren.
10) De vader wil dat zijn kinderen luisterden.
11) Wist je dat ze vroeger hun kleren in de sloot was?
12) Ze leeg hun zakken in de prullemand.
13) Ze leeg haar zakken in de prullemand.
14) Trap hij de bal uit het stadion?
15) De rappers rap een rap.
16) Meester streep alle foute antwoorden door.
17) Later wil hij dat de leerlingen het zelf doorstreepten.
18) Zij step naar school.
19) Het luk niet om op tijd te komen.
20) Zij verzamel haar kleren bij elkaar.