Persoonsvormen in de verleden tijd (-ten en -den werkwoorden) (1)

Bij -ten en -den werkwoorden moet je oppassen in de verleden tijd!
Kies de juiste schrijfwijze.

Persoonsvormen in de verleden tijd schrijf je zo simpel als je hoort.
Om de laatste letter te weten maak je het langer.

Maar niet voor -ten en -den woorden die niet van klank veranderen!
Deze krijgen dan -tt- of -dd-

1) De bom bars.
2) De kinderen klee zich snel om.
3) De coureur star zijn racewagen.
4) Opa bestee veel geld aan zijn hobby.
5) De jongens haas zich om bij de meisjes te komen.
6) De bewaker spur achter de dief aan.
7) Evelien aar naar haar vader.
8) De nieuwe medewerker verze veel werk.
9) De lucifer bran tot aan zijn vingers af.
10) Tussen twaalf en twee uur rus de Fransen.
11) De leerlingen antwoor goed op de gestelde vragen.
12) De bakker knee het bladerdeeg.
13) Wij rus heerlijk uit na de lange wandeling.
14) Zuch de man van vermoeidheid?
15) De scheidsrechter las de wedstrijd af.
16) Het voorstel bevreem mij.
17) De marathon pu de loper uit.
18) Tante Jenny berei een heerlijke pan soep.
19) De politie trach de dader op te sporen.
20) De voorzitter verloo zelf de prijzen.