Persoonsvormen in de verleden tijd (-ten en -den werkwoorden) (2)

Bij -ten en -den werkwoorden moet je oppassen in de verleden tijd!
Kies de juiste schrijfwijze.

Persoonsvormen in de verleden tijd schrijf je zo simpel als je hoort.
Om de laatste letter te weten maak je het langer.

Maar niet voor -ten en -den woorden die niet van klank veranderen!
Deze krijgen dan -tt- of -dd-

1) De matrozen bon de trossen vast.
2) Vanmorgen ontbe we buiten.
3) De kinderen praa net zo lang tot ze hun zin kregen.
4) De gevange ontvluch de gevangenis in de nacht.
5) De koningin beklee het ambt van staatshoofd met trots.
6) De postbodes verzon zelf geen kerstkaarten.
7) De tegenstanders twis om wie mocht beginnen.
8) De kinderen bekla de muren met viltstift.
9) De fotograaf vergroo de foto tot een poster.
10) De fiets roes in het slechte weer.
11) Door de explosie stor het gebouw helemaal in.
12) Het kereltje stampvoe zijn kamer in.
13) De burgemeester spel de erepenning op bij de jubilaris.
14) De vinger bloe hevig.
15) De arts en alle kinderen in tegen kinkhoest.
16) Het vervelende meisje verwoes het zandkasteel.
17) Hij zuch en ging toen maar weer verder met spelling.
18) De zwerver overnach onder een kartonnen doos.
19) De tuinder beplan de border met Afrikaantjes.
20) Het meisje baa in een bubbelbad.