Persoonsvormen in de verleden tijd (-ten en -den werkwoorden) (3)

Bij -ten en -den werkwoorden moet je oppassen in de verleden tijd!
Kies de juiste schrijfwijze.

Persoonsvormen in de verleden tijd schrijf je zo simpel als je hoort.
Om de laatste letter te weten maak je het langer.

Maar niet voor -ten en -den woorden die niet van klank veranderen!
Deze krijgen dan -tt- of -dd-

1) Wach hij bij de deur?
2) Zij schol hem uit voor rotte vis.
3) De kinderen fees de hele nacht door.
4) De insluiper ontvreem de juwelen.
5) De man benu zijn kansen goed.
6) De winnaars troos de verliezers.
7) Ik lus vroeger geen champignons, nu wel.
8) De oplichter lich zelfs zijn oma op.
9) Het mis zo erg dat je geen hand voor ogen zag.
10) De beeldhouwer vergul het beeld.
11) De fotograaf belich zijn foto's te veel.
12) Martijn ze zijn kopje weg.
13) De auto belan op de kop in de sloot.
14) De vieze lucht versprei zich door het lokaal.
15) De boer bemes zijn akker.
16) De roekeloze bestuurder vergoe alle schade.
17) Hij verklee zich graag in zijn vrije tijd als meisje.
18) De wind tas het schilderwerk aan.
19) De directeur verplich iedereen om het schoolgeld te betalen.
20) Het brood gis beter op de verwarming.