Persoonsvormen in de verleden tijd (-ten en -den werkwoorden) (4)

Bij -ten en -den werkwoorden moet je oppassen in de verleden tijd!
Kies de juiste schrijfwijze.

Zonder uitleg. Lukt je dat?

1) Er res hem niets dan afwachten.
2) Hij ze de aanvoerder aan de kant.
3) Waarmee slach hij de kip?
4) De honden gingen naar het asiel omdat ze be.
5) De leerling-koks sne het vlees in dunne reepjes.
6) Oma ple de knoflook zelf.
7) De peuter krij met stoepkrijt op het behang.
8) Ik vermoe al dat hij de Mol was.
9) De kippen broe hun eigen eieren uit.
10) Het was zwaar onweer, het donderde en weerlich.
11) De man besme alle mensen in zijn omgeving.
12) Het ijs kraakte en bars onder onze voeten.
13) De ambtenaar kor de man op zijn uitkering.
14) Mijn opa zou het vlees wel veel te erg.
15) De jongens flo naar de meisjes.
16) De arend sprei zijn vleugels en vloog weg.
17) De oude man klee zichzelf nog aan.
18) Het publiek proes het uit van het lachen.
19) Omdat hij knoeide verkwis hij veel verf.
20) Ik hoop dat je van deze oefening hebt geno.